Je herinnert je gebeurtenissen via geluiden. Je deelt ze daarnaar in, raakt ze kwijt en vindt ze weer terug. De wereld is een geluidsdealer, de oren zijn het stuur. Zij bepalen onze richting. Ik sta bij het raam, in mijn hand heb ik de hoorn in afwachting van wie zich zal melden.
‘Met Mácha. Ja?’
Ik zeg: ‘Goedemorgen. Met Bém. Ik wilde even zeggen dat ik vanmiddag niet op de vergadering kom. Ja… morgen ook niet… Eigenlijk kom ik nooit meer… Nou, tot ziens dan maar… En het spijt me.’
In de hoorn donderde het: ‘Wat… Hoezo… Wie… Wat is er aan de hand… Bém, ben je gek geworden?’
Ik legde de hoorn op de rand van een bloempot, ging koffie zetten en liet Mácha tussen de planten uitrazen.
‘Hallo-hallo-hallo. Wat heeft dat te betekenen? Zo aan het begin van het schooljaar. Ben je daar nog? Wat is er met je aan de hand, man? Dat kan je toch niet maken… Ja, dat zal lekker worden… Daar word ik dus echt helemaal… Hallóóó… Verdorie…’
Klik.
Een ogenblik stilte ingesnoerd door het zwakke gepiep aan de andere kant. Toen het fluiten van de ketel en achter de ramen het gedreun van de dubbeldekker naar Nymburk. Ik hing op, goot kokend water over de koffie in mijn kopje, sloot het raam. En wachtte tot het hoofd van de basisschool in de Jindřišskástraat terug zou bellen. Hij zou bellen, dat stond voor mij vast.
Onder de ramen loeide de sneltrein naar Liberec, een ouwe diesel en een bij elkaar geraapt zooitje oude wagons.
De telefoon op tafel ging over.
Ik wist: als ik opneem, ga ik niet weg. Dan laat ik me misschien overhalen. Ik ben geen knokker. Blijven staan doet altijd minder pijn dan rennen.
Twee minuten later rinkelde de telefoon voor de tweede keer.
Ik wilde niet weggaan.
Voor de derde keer.
Ik moest weggaan.
Ik wist niet precies waarom en ik wist niet waarheen.
Ik ging mijn spullen pakken. Gitaar. En ook het stemapparaatje. Ik heb een brief geschreven, of eerder een paar regels: nou, het beste ermee. Ik laat nog wel iets van me horen. Het spijt me. Ik ga weg, enzovoort, ik haalde wat geld uit mijn zak en legde het op tafel. Ook het spaarbankboekje. Hij is betoverd met de code Elvis is dood. Dat stond een keer op de wc gekrast in de jeugdclub Bunkr waar ik altijd met Žeňa ging stappen en waar aanvankelijk lekkere muziek werd gespeeld. Žeňa vond het er leuk.
Elvis is dood.
De Bunkr is dood.
Onze toenmalige band, die Kleingeld voor een knaak heette, is ook dood en mijn broer zou nooit meer een andere oprichten, want hij richtte een gezin en een behangfirma op.
Žeňa leeft nog.
Ze blijft vast niet alleen.
Misschien vluchtte ik daarom wel. Omdat ik er bang voor was.
Ik goot de koffie weg, de telefoon ging weer over. Ik voelde de warmte naar mijn voorhoofd stijgen. Als ik nerveus ben, kan ik beter horen en soms krijg ik er een bloedneus van.
Het bloed drupte in de wasbak. Achter het raam bromde een rangeerloc die de postwagons van het ene naar het andere station sleepte. Ik gooide mijn hoofd in mijn nek en keek naar boven, boven de boiler, ik voelde het bittere en plakkerige vocht de binnenkant van mijn keel bekleden. De schimmelvlek op het plafond leek op Australië.
De boiler loeide monotoon en zette de tijd stil.
Ik deed de deur op slot en gooide de sleutels beneden in de brievenbus. Een halve minuut later had ik hem met mijn mes weer opengebroken, de sleutels gepakt, de woning geopend en gecontroleerd of de kraan in de badkamer goed dicht zat.
Hij was dichtgedraaid. Het gas ook. De telefoon protesteerde niet. De radio was uit. Onder het raam nam de sneltrein naar Ostrava in snelheid toe. Negen, nee, tien wagons! Ik sloeg de deur achter me dicht. Verliet het huis en holde de Příběnickástraat uit onder de gespreide benen van de viaducten door naar de tunnel die trams inslikte en stofwolken uitblies.
Daarachter lag het park, bij het park het station. Van het station rijden treinen naar de stad waar ooit mijn oom vandaan was gekomen die niet helemaal een oom was, om voor ons huis zijn auto achter te laten, dat helemaal geen auto was, en om over de muur van de West-Duitse ambassade te klimmen waar aan de vluchtelingen geen coca-cola en Dead Kennedy’s T-shirts en echte levi’s werden uitgedeeld, zoals we toen allemaal dachten, maar alleen thee, koffie en belegde broodjes.
Ik liep snel. Dicht tegen de muur van de donkere tunnel aangedrukt.
Pancho Dirk
Pancho Dirk en ik kennen elkaar al twee maanden. Katrin ken ik een maand. Het eerst leerde Pancho Dirk haar kennen. Ik was erbij toen hij haar versierde. Het kostte me bijna mijn leven. Ik was erbij toen hij haar in bed probeerde te krijgen. Dat kostte hem bijna zijn eer. Maar Pancho Dirk is van het soort dat een blauwtje niet als een klap van het lot beschouwt.
We hebben elkaar ontmoet in de U-Bahn, zoals ze hier de metro noemen. We ontmoetten elkaar op de U 5, op station Weberwiese. We hadden allebei een gitaar, ik sigaretten, hij een aansteker.
Hij vroeg waar ik vandaan kwam en ik was de eerste Tsjech die hij van zijn leven zag, toen pas voegde hij eraan toe: na 1989, omdat hij daarvoor een paar keer met zijn ouders bij het Máchameer was geweest en in de Hoge Tatra. Ze waren zeker van die Oost-Duitse toeristen die bij hun biefstuk in groentesaus patat bestelden, en bij hun schnitzel knoedels en kool. Het kan obers nu nog tot razernij brengen, net als het Tsjechische toeristen tot razernij bracht als ze op Rügen twee uur voor het café in de rij moesten staan voor een schnitzel met bruine jus en een klein glaasje bier met groene siroop. Mijn vader zei dat je daaraan kon zien hoe erg onze culturen van elkaar verschilden, van Tsjechen en Oost-Duitsers.
Pancho Dirk zei dat hij tegenwoordig geen poen had om te reizen, en als hij wel eens wat geld over had, dan ging hij liever ergens aan een strand liggen of naar Amsterdam, dat het oosten hoe langer hoe meer in het oosten lag. Hij vroeg me wat er in Tsjechië nog meer de moeite waard was behalve Praag – de gouden stad aan de Moldau – en hij sprak dat uit op de toon van een medewerker van een Neckermann reisbureau.
Ik vroeg wat in Berlijn de moeite waard was. Geen van beiden konden we iets bedenken. Niks wat interessanter en aantrekkelijker kon zijn dan de gebruikelijke zaken als oude bruggen, bier, eten of mooie meiden, behalve alleen misschien dat de metrostations er in Praag uitzien als de aula van een crematorium, terwijl in Berlijn de U-Bahnstations meer variatie kenden – zoals bijvoorbeeld romantische Beierse kastelen, verlaten bunkers of oude betegelde badkamers. Zoals Weberwiese hier.
Pancho Dirk vroeg wat mijn plannen waren, waar ik hier logeerde en zo, waarop ik zei dat ik een week geleden was aangekomen, in een hostel in Friedrichshain een kamer met drie Amerikanen deelde die geen bier dronken, hasj paften en boven de kaart ruziemaakten over waar precies de westelijke - en oostelijke sector lagen, en over hoe lang je erover deed om over de Berlijnse muur te klimmen als die dus nog zou staan. Ze blowden en van Berlijn hadden ze voorlopig niet meer gezien dan die kaart.
Ik zei tegen Pancho dat ik van plan was geen plannen te hebben, en hij bood me aan bij hem te overnachten, en de volgende dag om te blijven, het kostte tweehonderdtachtig per maand, alleen van de winter moest ik wat meer dokken voor de kolen, maar de winter was nog ver, maar hoe ver het ook was, als de winter eenmaal kwam, dan bleef die ook aanhouden, daar moest ik maar rekening mee houden, maar dat het nu pas september was, dat ik die kamer kon krijgen en een bank en een kast en een tafel en een stoel.
En dus zei ik daar geen nee tegen.
Een week later bood hij me aan om hem af en toe te helpen bij verhuizingen, dat een van de jongens er namelijk mee was opgehouden, dat je in tien dagen genoeg verdiende om een maand lang zorgeloos te kunnen leven, dat je met spelen in de U-Bahn slechts je vorm op peil hield, en toen spraken we af dat we zouden kijken of we een band konden oprichten, nu we er dezelfde muzikale idolen op na bleken te houden, zoals Bowie, The Ramones of Iggy Pop, want hij had namelijk een geheime repetitieruimte.
Hij was het die zei dat we de groep U-Bahn gingen noemen, naar de plek waar we elkaar hadden ontmoet, en dat het bovendien alles uitdrukte wat van belang was voor een punkrockband, duisterheid dus, lawaai en snelheid, en dus zei ik daar ook geen nee tegen.
Nu stond hij naast mij en zette koffie voor zichzelf. ‘Echte koffie moet je in je hart horen luiden, net zoals goeie akkoorden daarin luiden’. Hij vulde de percolator tot aan de nok, schroefde het bovenstuk erop, zette het fornuis aan, leunde ertegen en wachtte.
Pancho Dirk zat alsmaar ergens op te wachten. Op een meisje, op werk, op een band waarmee hij eindelijk kon doorbreken. Hij is een jaar jonger dan ik. Hij is geboren in Mühlhausen, in Thüringen, heeft gymnasium gedaan en lijdt aan meisjes.
Waarom hij zich Pancho Dirk laat noemen terwijl hij gewoon Dirk Müller heet? Omdat hij van spelletjes houdt.
Een van zijn vriendinnen vertelde dat hij als hulp van het Rode kruis een half jaar in Macondo had doorgebracht. Ze zei het vol bewondering.
‘Snap je? Een half jaar heeft hij daar verband geknipt, de muggen bestreden, vitamines aan de indianen uitgedeeld. Nou, dat zou ik niet kunnen, hoor,’ zei dat meisje dat Ulrike heette, ze doopte haar neus in het bier, de ogen gericht op Pancho die haar niet zag staan.
Het schuim gleed over haar kin.
‘Dat zou ik niet kunnen,’ herhaalde ze.
Ulrike was niet dom. Macondo bleef lang door haar hoofd spoken. Niemand scheen het ooit op de kaart van Zuid-Amerika hebben kunnen vinden.
Ik zei haar dat dat niets hoefde te betekenen. Kaarten liegen soms, zoals de geschiedenis dat wenst. De kaarten van de dede-er bijvoorbeeld. Die lieten immers in plaats van West-Berlijn enkel een witte vlek zien. Alsof er midden in de stad een krater gaapte of een enorm meer. Achter de muur lag iets wat niet bestond. En toch kon je het horen en voelen, ademen, zuchten en brullen, kronkelen, spannen, stinken en ruiken.
Zoals ik zei, Pancho Dirk leed aan vrouwen. Zijn hart lag weliswaar bij de muziek, maar zijn grootste hobby was naaien. Punkrock was een middel om het doel te bereiken. Net als de Hitlerjugend pantservuisten in hun handen namen om de Russische tanks in de straten van Berlijn tot stoppen te dwingen en hun leider te redden, nam Pancho Dirk de gitaar in zijn hand om een meisjeshart bloot te leggen en als een bezetene te stoten.
Het een hangt nauw samen met het ander. Niemand geeft het toe, maar alle belangrijke bands zijn opgericht met naaien als hoofddoel. Alleen daarom stonden de Stones of de Beatles op het podium te zweten, om uit zichzelf een behoorlijk, melodisch liedje op te diepen en daarmee een hengeltje uit te gooien… En alleen zij die het met hun hart en ziel doen, bereiken hun doel.
Mensen die, zoals ik, beweren dat ze het slechts voor de lol doen, jokken. Ook ons gaat het maar om dat ene. Maar geef dat maar eens toe.
De manier van versieren, bewerken, overwinnen en dumpen van vrouwen werd door Pancho in drie fases ingedeeld.
De eerste noemde hij Kontaktierung.
Dat hield alles in vanaf het vangen van de blik via het maken van contact, het flirten tot het opperen van het plan de club of de bar te verlaten en zijn woning in de Zelterstrasse 6 in te duiken. Er werd gezegd dat vroeger Nina Hagen dezelfde buitendeur had gedeeld, wat Pancho Dirk als een meevaller beschouwde en het is hem gelukt om enkele meisjes daarmee het bed in te krijgen.
Montierung betekende de daad zelf.
Aangezien het om het belangrijkste onderdeel van het hele spel ging, had Montierung een hele reeks subhoofdstukken, die al naar gelang wel of niet moesten worden doorlopen. De afzonderlijke stappen had Pancho in een notitieboekje staan dat onder zijn bed lag.
De laatste fase heette Demontierung.
Het bevatte het loslaten van de vrouwen in de wereld. Als er sprake was van materiaalmoeheid, het stutwerk het af liet weten of het product te snel en te routineus gemonteerd was, was het zaak de vrouw los te laten en soms haar zelfs zover krijgen dat ze niet meer terug zou komen. Als de Montierung interessant en vernieuwend was verlopen, gaf Pancho Dirk het meisje zijn telefoonnummer en besloot met de lichamelijke Montierung door te gaan.
In het ideale geval werd het meisje op stand-by gezet, zoals ’s avonds de tv, met de bedoeling die de volgende ochtend bij aan het ontbijt meteen weer aan te kunnen zetten.
‘Dat is het lastigste karweitje,’ zei hij tegen me.
Pancho Dirk liet zich Pancho Dirk noemen omdat hij cool wilde zijn.
We zaten in de U-Bahn en Pancho Dirk had hoge nood, want we hadden een bezoek gebracht aan Café M, waar we de strategie van onze band hadden doorgenomen, bier gedronken en meiden gespot die naar ons hadden gekeken, of liever naar hem.
Hij moest naar de wc, maar dat ging niet, omdat we zonder stroom waren blijven steken in de tunnel van de U 2 tussen Alex- en Rosa-Luxemburg-Platz. We zaten vast in de eerste wagon van de trein, machteloos als twee vliegen gevangen in een spinnenweb en aangewezen op hulp van boven, maar niemand wierp ons een reddingslijn toe.
Tien minuten lang.
‘Nog even geduld, alstublieft,’ kraakte de intercom.
Pancho Dirk kronkelde zijn ene been over het andere en ik zag hem lijden, en dus begon ik hem voor te lezen uit een van de roddeldagbladen die zowel in onze stad Berlijn als in mijn stad Praag tot de populairste U-Bahnliteratuur behoort.
Ik las aan hem voor om hem af te leiden van zijn nood. Het bericht dat de baas van de aardbol bijna was gestikt in een krakeling tijdens een footballwedstrijd op de tv, sloeg niet aan. Evenmin de informatie dat op het parkeerterrein bij een supermarkt in de wijk Steglitz de gepensioneerde mevrouw M.D. een bebaarde terrorist had gezien die een mud aardappelen in zijn kofferbak gooide. Hij werd niet opgevrolijkt door het bericht dat de politie vierenveertig paarden moest laten terechtstellen, omdat de gemeentepot leeg was en onze stad aan de grond zat, maar dan ook helemaal, zodat de gemeenteraad geen geld wilde spenderen aan verdere paardenlevens, omdat er nauwelijks voldoende geld was voor hun transport naar het slachthuis.
Achttien minuten lang.
‘Er wordt alles gedaan om de storing te verhelpen.’
Pancho Dirk stond op knappen, hij beet van pijn op zijn lippen, alsof hij zojuist een paardenspuit had gekregen en hij het was die over een minuut zou worden afgemaakt.
Het bericht dat tegelijkertijd met de paardeneenheid het stadhuis ook het politieorkest, dat de faam van de politie in Sint-Petersburg, Madrid en op het Kmoch festival in Kolín had uitgedragen, ging opheffen, hielp hem ook al niet. Als hier een meisje was geweest, zou ze zien hoe Pancho Dirk leed. Maar de Held van Macondo was blij dat hier nu geen enkel meisje rondhing.
Het monterde hem niet op dat tegen dat alles de politie de straat op wilde om te protesteren en dat de krant zich afvroeg wie er dan tegen de demonstranten zou optreden als ze de wet zouden overtreden. Pancho Dirk knikte alleen maar, kronkelde op de bank, puilde zijn ogen uit, liep rood aan en leek elk moment buiten westen te raken. Ja, hij was allang niet meer cool.
Vijfentwintig minuten lang.
‘Helaas hebben we nog steeds geen stroom. Blijft u kalm, alstublieft.’
Pancho Dirk stond op en bonsde op de deur van de bestuurder. Hij fluisterde hem iets in zijn oor, maar de bestuurder schudde zijn hoofd.
‘Nein?’ gilde Pancho Dirk en hij werd nog roder.
‘Ook geen blikje, een colablikje bijvoorbeeld? En kunt u me niet even in de tunnel laten? Ik hou het echt niet meer.’
‘Nou… Dat kan dus niet. Tenminste, onder normale omstandigheden niet dus. Pas vooral op voor de kabels. Zo ver mogelijk bij de wagon vandaan!’ adviseerde de bestuurder toen hij zag dat alleen wij twee in de hele wagon zaten.
De zijdeuren sisten. Pancho Dirk ook. Hij kromde zijn lichaam tot een boog, maakte zijn gulp open, het lukte niet, verdomde knopen ook, de trein toeterde en kwam in beweging. De deur ging dicht.
‘Godver,’ brulde hij. Daarmee was de druk van de ketel.
Hij vroeg: ‘Wat was die Amerikaanse president nou ook alweer van plan met die paarden?’ En hij ging naar huis om schone kleren aan te trekken.
Ik heb lekker kebab gekocht
Een halfuur later was hij terug. Hij droeg blauwe jeans met wijde pijpen, een zwarte coltrui, een leren jack. Hij gooide met een beweging van zijn hoofd zijn haar naar achteren en was weer cool.
Het meisje dat in de glazen deur van de Vereniging van Poolse pechvogels stond, had het zeker in de gaten, omdat ze mij helemaal niet zag staan. Ze was mager en lang, een beetje gebogen, gekleed in een zwart T-shirtje met een rode ster en een nauw rokje, ze had blond haar dat als een kroon om haar lange gezicht oplichtte. Oma zou zeggen dat ze een beetje verlekkerd keek en dat je niks aan zulke meisjes had. Waarom echter vanwege dit soort vrouwen mannen andere vrouwen verlaten, had ze me niet kunnen uitleggen, en ik durfde het niet te vragen. Ik durf best vaak niet iets te vragen.
Pancho Dirk probeerde te kijken alsof hij helemaal niet speciaal keek, maar daarvoor ken ik hem te goed. Zijn ogen lichtten op.
We bestelden wodka. In de geluidsboxen werden de ritmeloops van de Poolse band We staan oog in ook met de beschaving door elkaar gehaspeld. Wij stonden oog in oog met de lage bar die in een gedempt blauw licht baadde. Op de ijskast lagen flessen alcohol kriskras door elkaar. Het bier was slecht gekoeld. Op het fornuis stond bigos te pruttelen, de hele ruimte rook zurig, een beetje naar de schimmel die ik in de badkamer in Praag-Žižkov had achtergelaten. We bestelden nog twee wodka. Pancho Dirk verdween sierlijk zwevend ergens heen. Ik sloot mijn ogen, dacht aan een zomer aan de Mazoerische meren, onderweg naar Estland en aan die stoere Poolse meid met wie ik tot aan het ochtendgloren doorzakte.
We lagen op ons rug, de neuzen in de hemel gedompeld, de duisternis viel erin en dat meisje, Marina heette ze, vertelde honderduit.
‘In Polen heb je twee type mannen. Het ene soort wordt met een fles wodka in de hand geboren, blijft zijn hele leven zuipen en roken en sterft uiteindelijk aan longkanker, zoals mijn opa. En dan heb je die die met een sigaret in de bek geboren worden en sterven met een fles wodka onder de arm omdat hun lever het begeeft. Dat wordt het geval met mijn vader.’
Zij die hier zitten moeten daar iets van weten. Misschien weten ze er wel alles van.
De muziek dreef van oor naar oor, baande zich een weg door de hersens en liet verdriet in het hart achter, omdat de muziek melancholiek was. Ik gooide mijn hoofd achterover en sloeg het glaasje naar binnen.
Toen ik doorslikte en mijn ogen opende stond een afgetobde veertigjarige vrouw voor me in aftandse jurk met smalle schouderbandjes en een witte bontjas. Ze zei niets. Ze duwde slechts een exemplaar van de daklozenkrant Stütze onder mijn neus. Beleefd weigerde ik.
‘Koop het nou maar klojo. Of weet je soms al wat Bááutzeen is?’ brulde uit een hoek een stevig gebouwde veertiger met kort krulhaar en piepkleine ogen naar me. Eigenlijk zag ik ze niet eens.
‘Weet je wat Bááutzeen is, sukkel? Dat heb je op schóól niet gehad! En daarin kén je erover lezen! Of wéét je soms al wat het is?’
Iedereen wist het, alleen ik nog niet. Het was Igor. En Igor is lijp.
En Bautzen?
Ik bladerde door de harddisk in mijn hoofd in de mappen Aardrijkskunde en Geschiedenis. Het ging wel, ook al was het met moeite, omdat de hersens steeds dieper de zubrówka in doken.
Bautzen? Bautzen… …Bautzen!
Dus:
1) Een stad in Sorbië die ooit bij de landen van de Tsjechische Kroon had gehoord. Thans het oostelijke uiteinde van Euroland.
2) In het Tsjechisch Budyšín.
3) Er is daar een prachtige burcht en een toren die op het punt staat het dal in te donderen. We zijn daar eens met mijn oom geweest. Hij kocht voor ons bratwursten zonder brood, want brood hadden ze bij het kraampje niet.
4) Een belangrijk spoorwegkruispunt.
5) Er leven daar nog steeds Sorben en sommigen van hen spreken Sorbisch en schrijven Sorbische boeken.
En ten
6) was het een beruchte politieke gevangenis in de dede-er, erger naar het schijnt dan Valdice en smeriger dan Mírov in Tsjecho-Slowakije.
Niemand wist waarom Igor steeds over Bautzen begon. Niet dat men bang was het hem te vragen, maar het interesseerde gewoon niemand.
Igor was gevoelig. Igor was een Russische jood. Hij kwam uit Moskou, waar hij voor kranten had geprobeerd te schrijven. Igor hield niet van Duitsers omdat die de helft van zijn voorouders hadden gedood. Hij hield ook niet van Russen omdat die onder Stalin de andere helft hadden afgeknald. Igor kon echter vooral niet tegen West-Duitsers. Digitale opscheppers die alles beter wisten, die zich het leven achter het prikkeldraad ongeveer net zo goed konden voorstellen als wij het leven op Mars, snelle jongens die hier alles dirigeerden, ook hem als immigrant die van de bijstand leefde.
Begin jaren negentig had hij zijn koffers gepakt en daarin een draagbare typemachine, was op de trein gestapt om zijn anker uit te gooien in de plaatselijke flatwijk Marzahn, waarvan de naam niets te maken heeft met marsepein, maar eerder met marginaal leven. Het is de Bijlmer van Berlijn. Hij had geen wortel geschoten. Het schrijven lukte niet, veel moeite om aan een baan te komen deed hij niet, zijn Duits gleed door zijn zwierige Slavische accent steeds verder af naar het Oosten. Igor wist dat, en dus sprak hij niet veel. Alleen tegen zichzelf en een paar vrienden.
Hij zweeg veel, ging vaak naar de Spree en zag zijn gezicht weerspiegeld op het water van de Wolga. Hij at Duitse soljanka met in stukjes gesneden worst en snoof Russische borsjt. Hij leefde hier hier wel en ook weer niet. Maar terugkeren, dat wilde hij ook niet. Hij werd chagrijnig. Dat vertelde Pancho Dirk me allemaal nadien.
Als Igor een slok op had gooide hij zijn mond open en spuide al zijn woede aan de omgeving, zonder zich af te vragen of het iemand interesseerde. En hij had vaak een slok op. En als hij dronk, stroomde de wodka niet in zijn maag en lever, maar ging in zijn gezicht zitten. Zo opgezwollen en oogloos zag hij er altijd uit.
Vertaald uit het Tsjechisch door ©2005 Edgar de Bruin
www.pluh.org, e-mail: edgar@pluh.org